Onze dochter heeft het syndroom van Alagille |
|
|
Door Peggy van Heck, moeder van Iris Vóór onze zwanger-schap lieten Harry en ik ons in het Radboud ziekenhuis in Nijmegen voorlichten over het syndroom van Alagille, omdat deze ziekte in zijn familie voorkwam. Ook bij hem was dit syndroom vastgesteld, toen hij nog jong was en hij kende een hele medische geschiedenis. Voor ons kindje wilden we dit proberen te voorkomen, maar al snel werd duidelijk dat er toen nog weinig mogelijkheden waren. Volgens de klinisch geneticus stond de wetenschap niet stil en een uitgebreide echo zou ons gerust moeten stellen. Na enige tijd raakte ik zwanger en we volgden zijn advies op om een uitgebreide echo te laten maken. Maar dit viel ons zwaar: de echo liet een kindje zien dat niet met het leven verenigbaar was. Onze wereld stortte in. Een vruchtwaterpunctie zou uitsluitsel geven. Een 2e opinie in het universitair ziekenhuis in Utrecht werd ons aangeboden. Na 3 dagen zouden we naar huis mogen, maar helaas: haar bilirubine was enorm verhoogd. Tja en dat kan duiden op het syndroom van Alagille. Zou ze dan toch?...een heleboel onderzoeken volgden: haar ogen, hart, nieren, lever, ruggenwervelkolom etc. werden onderzocht. Na een paar dagen werd inderdaad de diagnose Alagille gesteld. Wij mochten naar huis, met de naam van een kinderarts dichter bij huis, die veel kennis van zaken had. Optimistisch vertrokken we naar huis! Het zou allemaal wel goed komen. De zorg zat hem voor ons in eerste instantie in de schisis: hoe kreeg ze haar voeding binnen? Hoe zouden mensen reageren? Hoe zou ze er uit zien na haar eerste operatie? Veel vragen en onzekerheid, maar wat kon ik van haar genieten! Nog nooit had ik zoveel van iemand gehouden als van haar. Ik kon haar blijven kussen en knuffelen. Al snel lachte ze naar ons en met haar open mondje schaterde ze het uit als we met haar een kiekeboe-spelletje speelden. Intens genieten was het, maar al snel kwam er een keerzijde. Omdat Iris niet wilde groeien, moest ik stoppen met het geven van borstvoeding. Iris was al heel klein bij de geboorte (47 cm en 2690 gram) en kwam eigenlijk niet goed in gewicht aan. Toch at ze goed en was alert. Bij ons eerste bezoek aan de kinderarts werd ons verteld dat ze misschien wel andere voeding zou moeten. Nee, we zouden het zelf proberen, meer schepjes voeding, extra suikers, meer voedingen …. De eerste problemen in haar gezondheid speelden rond november 2000 op: urineweginfecties met nierbekken-ontstekingen. Veel ziekenhuisopnamen volgden. Iris groeide minimaal en begon zich tegen de voeding te verzetten: ze moest veel overgeven en wij moesten haar voeding steeds meer verzadigen met allerlei suikers en vetten. Een logopediste/ diëtiste kwam in beeld. Wij probeerden van alles om Iris aan te laten komen. Ook de medicatie nam met de maand toe. Iris moest steeds vaker naar het ziekenhuis. Die ziekenhuisopnamen brachten veel spanningen met zich mee. Ik heb daar leren ‘vechten’ en opkomen voor Iris en voor mezelf. Gelukkig konden we steeds terugvallen op onze kinderarts. Van hem hebben we echt heel veel steun gehad (en nog steeds). Hij vertelde me dat ik in mezelf moest blijven geloven en dat ik aan de bel moest blijven trekken, hoe boos anderen soms ook op me waren. ‘Want een moedergevoel zegt soms veel meer dan de boeken beweren!’ En daar ben ik het helemaal mee eens! Nog steeds heb ik niet veel nodig om Iris te begrijpen. Ik zie, voel, hoor en ruik het wanneer er echt iets met haar is. Als ik dan een arts bel, is het niet voor niets. In die tijd is dat menig keer gebeurd: handelend op de automatische piloot onder de hoogste stress! In februari 2003 kwam ze dan toch op de wachtlijst. Het gaf ons en Iris een bepaalde rust, maar tegelijkertijd was het enorm spannend: wanneer zou de pieper gaan? We genoten intens van Iris, want we waren ons er ook van bewust, dat elke dag de laatste kon zijn. Al op 23 april 2003 ging om 20.00 uur de telefoon en op 24 april brachten we Iris om 8.00 uur naar de OK. Een tijd die ik nooit zal vergeten en heel wat tranen heeft gekost. Zo’n zeven weken hebben we in Groningen doorgebracht. Een hele bijzondere tijd; met veel verdriet, maar ook van intens geluk! Na de transplantatie heeft Iris het niet gemakkelijk gehad. Heel veel infecties en virussen speelden haar parten. Ze is dus nog niet klaar met ‘knokken’. Toch is het allemaal minder zwaar dan toen ze de jeuk had. Toen waren we machteloos en hadden we geen normaal sociaal leven meer. Nu is er vaak wel een antibioticum, waarvan ze opknapt. Iris begint echter steeds meer te beseffen dat ze niet hetzelfde ‘onbezorgde’ leven heeft als andere kinderen. Dat is soms voor ons allemaal moeilijk, maar het is niet anders.
|

